313 Reservistenabzeichen in Bronze 1966 bis 1989
Beschrijving Medailles
313 NVA Res.abz. Bronze medailles
Achtergronden

Op 5 november 1965 is tot instelling van deze onderscheiding besloten met als doel de samenhorigheid van reservisten te stimuleren. Op de tiende verjaardag van de NVA (1 maart 1966) werd voor het eerst een onderscheidingsteken voor reservisten uitgereikt. De feitelijke eerste uitreiking vond al eerder plaats, afgaande op de partijkrant Neues Deutschland van 15 februari 1966. Oberstleutnant Horst Lange gaf de onderscheidingen aan verschillende medewerkers van de gemeente die de actieve militaire dienst hadden verlaten.
De verschillende klassen werden toegekend voor onderscheidende periodes diensttijd:
 Goud meer dan 10 jaar diensttijd
 ZIlver van 2 tot 10 jaar diensttijd
 Brons tot twee jaar diensttijd
Met een besluit op 8 oktober 1986 werd het onderscheidingsteken vervangen door een medaille. Deze werd uitgereikt aan alle militairen die de actieve dienst beëindigden en "reserve" werden. Militairen die eerder met het oude onderscheidingsteken waren gedecoreerd, kregen ook de medaille van de gelijke klasse. De medaillevorm werd in 1990 vervangen door een nieuw onderscheidingsteken.
De onderscheiding werd op de rechterborst gedragen.
Typen medailles

In de "DDR Spezialkatalog Band II" van Bartel worden 5 typen onderscheiden van het "Reservistenbzeichen in Bronze 1966 bis 1989"
 1966 - 1968 a Onderscheidingsteken van ijzer
 1968 - 1988 b Medaillevorm: non-ferrometalen
  c idem: draagteken met polyesterlaagje (mogelijk alleen als monster)
 1988 - d idem: medaille en draagteken van ijzer gemaakt
         - 1989 e idem, hoofd en helm op de voorzijde vlak in plaats van bol

Bronnen
Frank Bartel, Auszeichnungen der Deutschen Demokratischen Republik von der Anfängen bis zur Gegenwart, Berlin 1979, p.181 .
Frank Bartel, DDR Spezialkatalog Band II Auszeichnungen der bewaffneten Organe der DDR, Cottbus, 2009, 3. Auflage, p.68-69..
Klaus H. Feder & Uta Feder, Auszeichnungen der Nationalen Volksarmee der Deutschen Demokratischen Republik, Berlin, 1994, p.41, 222-224.