I 011 Orden "Stern der Völkerfreundschaft" in SIlber
Beschrijving Medailles
011 Orden Stern Silber
Achtergronden
 
De orde "Stern der Völkerfreundschaft" (ster van de vriendschap tussen volken) werd 20 augustus 1959 ingesteld in drie klassen: grote ster, goud en zilver. De orde werd toegekend voor buitengewone verdienste in:
- de samenwerking tussen volken en de vriendschap daartussen;
- het behoud van de vrede;
- de versterking en de verhoging van het internationale aanzien van de DDR.
De orde kon worden toegekend aan individuen en aan maatschappelijke organisaties; zij konden slechts eenmaal onderscheiden worden met een medaille van een bepaalde klasse. Toekenning van de orde geschiedde door de voorzitter van de Staatsraad. Bij de orde hoorde een oorkonde. De orde werd op de linkerborst gedragen.
Orden die door de staat werden toegekend, konden ontnomen worden in geval van onwaardig gedrag, het verliezen van het DDR-staatsburgerschap en het bekend worden van nieuwe feiten nadat de orde was toegekend en die zouden hebben verhinderd dat de orde zou worden toegekend.
Op 20 februari 1990 maakte het "Gesetzblatt" het Staatsraadbesluit van 5 februari 1990 wereldkundig dat staatsorden tot nader order niet meer werden toegekend en dat het betalen van een eventueel daarmee verbonden premie werd gestaakt.
Typen medailles

In de "DDR Spezialkatalog Band I" van Bartel worden drie typen onderscheiden van de Orden "Stern der Völkerfreundschaft" in SIlber.
 1959 - 1972  a   zilver .900 - er bestaan slechts enkele exemplaren als proef
 1973 - 1989  b  non-ferrometalen, achterzijde glad
         - 1989  d  non-ferrometalen, achterzijde met reliëf

Bronnen
Frank Bartel, Auszeichnungen der Deutschen Demokratischen Republik von der Anfängen bis zur Gegenwart, Berlin 1979, p. 107-108.
Frank Bartel, DDR Spezialkatalog 1949-1990 Band I, Staatliche Auszeichnungen, Berlin, 2003, p.12-15.
Klaus H. Feder, Militärische Orden der Deutschen Demokratischen Republik, Berlin, 2011.
Günther Tautz, Orden und Medaillen. Staatliche Auszeichnungen der Deutschen Demokratischen Republik, Leipzig, 1983, p.117-118, 175.